reglement PAP 2020

REGLEMENT VOOR ”PRAKTIJK GERICHTE APPORTEERPROEVEN” (PAP) VOOR JACHTHONDEN     Praktijk Gerichte Apporteerproeven (PAP) is een competitie die tot doel heeft de werkkwaliteiten van de verschillende Jachthonden te testen, zonder dat er wild geschoten wordt. Het is een voorbereiding tot het Sint-Hubertusbrevet, de veldwedstrijden en/of de reële jacht.   De jachthond is de onmisbare hulp van de jager op een jachtdag. Het is de bedoeling om op een PAP de beste honden te selecteren en dit met aandacht voor echte wildvinders kwaliteiten, goed temperament, een goed gebruik van de neus, het tonen van initiatief en zacht in de vang zijn.   Handling mag alleen gezien worden als een onmisbare aanvulling van deze kwaliteiten, de hond moet kalm zijn op post en tijdens het volgen aan de voet, bereid zijn de bevelen en/of instructies van de voorjager op te volgen wanneer hij uitgestuurd wordt op een apport dat de hond niet kon markeren.   Artikel 1 – Organisatie   De PAP’s worden ingericht door de bij de Koninklijke Kynologische Unie Sint-Hubertus (KKUSH) aangesloten verenigingen. De organisatie behoudt zich het recht voor, maatregelen te treffen die nodig geacht worden om een goed verloop van de wedstrijd te garanderen.   De PAP moet georganiseerd worden door een persoon of personen met de nodige ervaring betreffende het hondenwerk in het jachtveld.   Elke hond dient naar best vermogen gelijke kansen te krijgen, waarbij de factor geluk tot een minimum beperkt zal worden. Op een PAP zal de organisatie steeds trachten echte jachtsituaties te simuleren zoals ze zich op een echte jachtdag voordoen. Ze zullen er ook voor zorgen dat de proeven zo opgezet worden dat ze goed hondenwerk toelaten waardoor het markeervermogen en het tonen van zijn natuurlijke werkkwaliteiten niet verhinderd wordt. Het is zeer belangrijk dat het wild, werpers en geweren in functie van deze gedachte opgesteld worden.   De organisatie en de keurders moeten situaties vermijden waarbij de veiligheid van de honden in gevaar kan gebracht worden.     Artikel 2 – Klassen   De Praktijk Gerichte Apporteerproeven worden ingedeeld in de drie toegelaten rassoorten; Spaniels, Staande Honden en Retrievers en ieder van hen heeft de mogelijkheid om in één van de drie klassen in te schrijven.   A. Open klasse Open voor alle honden. Bij voorkeur voor gevorderde honden met een kwalificatie op een veldwedstrijd of een (jacht) africhtingsbrevet of werkende naar het Sint-Hubertusbrevet. De honden worden los voorgejaagd.   B. Novice klasse Open voor alle honden. De honden worden los voorgejaagd.   C. Initiatie klasse Dit is een Initiatie klasse, om de deelnemers in de gelegenheid te stellen kennis te maken met de verschillende proevenvormen. De honden worden los voorgejaagd.   Artikel 3 – Inschrijvingen   De inschrijvingen moeten aan het wedstrijdsecretariaat worden gezonden binnen de door het wedstrijdprogramma bepaalde tijd. Op het inschrijvingsformulier moet worden vermeld in welke klasse wordt deelgenomen, en verder de naam van de hond, het ras, het geslacht, het stamboom nummer, de tatoeage en/of microchipnummer, de geboortedatum, de naam en adres van de eigenaar en van de voorjager. Elke deelnemende hond dient in het bezit te zijn van een Werkboekje voor Jachthonden. Indien er sprake is van tegenstrijdigheden zal de hond uit de wedstrijd worden gezet, het bedrag van de inschrijving vervalt aan de vereniging. In geval van afwezigheid vervalt het inschrijvingsgeld aan de organisatie.     Artikel 4 – Deelneming/Uitsluiting van honden   De proeven staan open voor alle eerder genoemde rassoorten van Jachthonden. De organisatie mag het aantal deelnemers aan de PAP beperken. In dit geval zal het al of niet kunnen deelnemen door lottrekking bepaald worden.   Mogen niet deelnemen of zijn uitgesloten, de honden die toebehoren aan een persoon die uitgesloten is of die, om welke reden dan ook, enig bedrag verschuldigd is aan de KKUSH, of aan een vereniging die aangesloten is bij de KKUSH. Loopse teven zijn van deelname uitgesloten.   Het fysiek straffen van de hond gedurende het volledig verblijf op het terrein of tijdens de wedstrijd, zal leiden tot onmiddellijke uitsluiting (Zie ook artikel 8D).   Uitsluiting van een hond, en de aanleiding daartoe zal onmiddellijk aan de voorjager worden meegedeeld. De organisatie behoudt zich het recht voor iedere hond die zij om een of andere reden, meent niet te mogen aanvaarden, van deelneming uit te sluiten.       Artikel 5 – Keurmeesters   Alle keurders hebben ervaring met het betreffende Jachthondenwerk onder jachtcondities. De keurmeesters worden gekozen uit een lijst die samengesteld is door de KKUSH. Deze lijst bestaat uit de Keurmeesters voor Veldwedstrijden van Retrievers, Staande honden en Spaniels en Keurmeesters voor Jachthondenproeven en/of Workingtests en de Brevettenmeesters voor Jachthondenproeven en Workingtests. Buitenlandse Keurmeesters mogen keuren indien ze in eigen land ook dit soort wedstrijden mogen keuren en mits de organisatie toestemming krijgt van de KMSH. De keurmeesters kunnen vrijelijk hun oordeel uitspreken, doch zij dienen de bepalingen van dit reglement in acht te nemen. De organisatie behoudt zich het recht om over te gaan tot de vervanging van de keurders die verhinderd zouden zijn hun taak te vervullen tijdens het verloop of een gedeelte van de wedstrijd.     Artikel 6 – Aansprakelijkheid   Noch de organisatie, noch de keurmeesters zijn in enig opzicht aansprakelijk voor gebeurlijke ongevallen.                   Artikel 7 – Proeven   De proeven zijn gebaseerd op het werk voor en na het schot voor Spaniels en Staande Honden. Voor Retrievers na het schot. Waarbij vooral aan de volgende onderdelen aandacht wordt besteed:   de natuurlijke aanleg om wild terug te vindenhet markeren en het onthouden van de valplaatshet snelle en efficiënte apportde stijl eigen aan elk rasde gehoorzaamheidde discrete handlinghet goede waterwerkde samenwerking tussen voorjager en hond   De proeven zullen bij voorkeur de jachtpraktijk situaties zo dicht mogelijk benaderen, en rekening houden met het terrein om de situaties zo natuurlijk mogelijk weer te geven, dit in functie van de praktische en weidelijke jacht. In de praktijk kunnen de proeven uit samengestelde opdrachten bestaan. Wanneer er zich deelnemers in een lijn bevinden, zullen de keurders er op toezien dat toeschouwers zich op voldoende afstand bevinden. De keurders zullen er voor zorgen, dat de omstandigheden waarin de honden werken, voor zover als dit mogelijk is, in het voordeel van de honden zijn. Ze zullen op zoek gaan naar honden die het minste handling nodig hebben en de beste indruk op hen maken met het oogpunt op de jacht. Goed markeren met een vlotte opname en snel weerkeren zijn van essentieel belang. Bij het opnemen en het terugkomen zal men de hond niet bestraffen , wanneer hij het wild neerlegt met de bedoeling hierop een betere grip te krijgen. Dit mag echter niet verward worden met slordig apporteren. Honden die een goede marking en initiatief tonen zouden boven deze honden moeten geplaatst worden die naar het stuk moeten gedirigeerd worden. Een Jachthond moet schotvast zijn en moet apporteren op bevel. Wanneer het mogelijk is zouden alle honden moeten getest worden op post en in het water. Een hond moet kalm aan de voet volgen.     De moeilijkheidsgraad zal progressief zijn zoals het verschil tussen Amateurs – Novicewedstrijden en CAC(I)T- wedstrijden. De opdrachten in de Initiatie klasse zullen minder zwaar zijn dan de opgaven voor de Novice klasse en de Open klasse.   In de Initiatie klasse is de handling (dirigeren) niet noodzakelijk vereist. Bij het uitzetten van de proeven zal hier de nodige aandacht aan besteed worden.   De proeven zijn niet op voorhand bekend. Zoals tijdens de jacht moet de situatie worden ingeschat en worden beoordeeld door de voorjager. De proeven worden ter plaatse bekend gemaakt aan alle deelnemers. De keurmeesters zullen rekening houden met deze situatie, en bijvoorbeeld minder belang hechten aan het aantal bevelen die worden gegeven, uitgezonderd bij het dirigeerapport, maar in het algemeen kijken naar de kwaliteit van de uitvoering, de snelheid en de efficiëntie van het gevraagde werk.   De wedstrijden worden gehouden met uitsluitend op dat moment toegelaten wild. Er moeten voldoende stukken wild voorzien worden. Wanneer het wild met schot geworpen word, zal het schot, bij voorkeur, steeds het werpen van het wild vooraf gaan, het geweer niet verder dan± 35 meter van de werper verwijderd. Bij verloren apporten is een schot optioneel.            De afstand van een apport zal de 150 meter niet overschrijden.     De honden mogen tijdens de wedstrijd in geen geval een prikband of een ander dwangmiddel dragen gedurende het volledig verblijf op het terrein. De eigenaar of de voorjager mag geen halsband of ander voorwerp (dwangmiddel) in de handen houden gedurende de proeven.       Artikel 8 – Beoordeling van het werk   A – De voornaamste kwaliteiten die moeten primeren bij de beoordeling   De natuurlijke aanlegHet initiatief om verloren te zoekenDe kalmte en rust op postDe aanleg voor het markeren en het onthouden van de valplaatsDe gehoorzaamheidHet snelle en de efficiënte apportWill to please tonenDe discrete handlingHet waterwerkDe neus     B – Ernstige fouten   Het gebrek aan kalmte op post of tijdens het volgen aan de voetLuidruchtig voorjagenEen slechte controle over de hondZonder interesse werkenSlecht markeren en/of slecht onthouden van de valplaatsTe afhankelijk zijn van de voorjager     C – Fouten die leiden tot een nul   Storend PiepenInspringenUit de hand gerakenAanraken van de hond tijdens de oefeningWeigeren te apporterenWeigeren om water of dekking aan te nemenWild verwisselenWild niet terugvinden     D – Fouten die leiden tot een uitsluiting   AgressiviteitSchotschuw zijnHard in de vangFysiek straffen van de hond   De keurders zullen toleranter zijn in het beoordelen van de fouten gemaakt door de honden in de “Initatieklasse”.     Artikel 9 – Punten en resultaten   Een PAP bestaat uit vijf proeven voor elke hond. Elke oefening kan één of meer apporten bevatten. Elk apport wordt afzonderlijk op 10 unten gekeurd. Honden die een nul hebben gekregen of uitgesloten zijn komen niet meer in aanmerking voor het eindklassement.   Elk apport wordt op 10 of 20 punten beoordeeld. Een “0” op een apport leidt tot een “non classified” (NC). In het geval er meer dan één stuk wild moet worden geapporteerd op een test en je een “0” behaalt op een apport, betekent dit niet dat je een “0” hebt op de volledige proef. De volgorde van het geapporteerde wild moet gerespecteerd blijven. Honden die een nul hebben gekregen of uitgesloten zijn komen niet meer in aanmerking voor het klassement.
Bij het maken van één ernstige fout, kan op de betreffende proef geen score hoger dan 6/10 of 12/20 gegeven worden. Bij het maken van twee ernstige fouten, kan op de betreffende proef geen score hoger dan 2/10 of 4/20 gegeven worden.[i]   De behaalde resultaten komen niet in aanmerking voor het behalen van een certificaat dat toelating verleend tot de werkklasse op een tentoonstelling.   Artikel 10 – Kritiek op de beoordeling   Elke persoon die openlijk kritiek uitbrengt op de beslissing van de keurders zal gevraagd worden het terrein onmiddellijk te verlaten. Bij betwisting wordt door de keurmeesters op het terrein zelf uitspraak gedaan over het geschil. Hun beslissing is onherroepelijk, zelf in de niet door dit reglement bepaalde gevallen.  
REGLEMENT “D’ EPREUVES CHASSE PRATIQUE” (ECP) POUR CHIENS DE CHASSE     Une Epreuve Chasse Pratique (ECP) est une compétition dont le but est d’évaluer les qualités de travail des différentes races de chiens de chasse en l’absence de gibier tiré. C’est une préparation pour le Brevet de Saint-Hubert, les field trials et/ou la chasse.   Le chien de chasse est l’auxiliaire indispensable du chasseur pendant la chasse. Le but de ces épreuves ECP est de sélectionner les meilleurs chiens ayant le vrai goût de la recherche du gibier tiré, un bon tempérament, le marking qui le caractérise, un bon nez et de l’initiative. Il a la dent douce.   Le dressage (handling) ne doit être considéré que comme le complément indispensable de ces qualités, rendant le chien calme au poste, docile à suivre les ordres et les éventuelles directions que son conducteur est parfois appelé à lui donner s’il n’a pu voir le point de chute du gibier tiré.   Article 1 – Organisation   Les ECP sont organisés par les associations affiliés à l’Union Royale Cynologique Saint-Hubert (URCSH). Les organisateurs se réservent le droit de prendre toute mesure qu’ils estiment nécessaire au bon déroulement du concours.     Le ECP doit être organisé par une ou des personnes ayant l’expérience du travail du chien dans des conditions de chasse réelle.   Chaque chien doit recevoir les mêmes occasions afin de réduire au maximum le facteur chance. Dans un ECP, les organisateurs doivent toujours essayer de simuler les événements qui se passent durant la chasse. Ils doivent toujours s’assurer que les exercices soient propices au bon travail des chiens, sans les empêcher de marquer et de montrer leurs qualités naturelles de travail. Il est très important d’en tenir compte lors du positionnement des tireurs et des lanceurs du gibier.     Les organisateurs et les juges doivent veiller à la sécurité des chiens et ne pas leur demander de passer des obstacles dangereux.     Article 2 – Classes   Les Epreuves Chasse Pratique sont divisés en les 3 groupe de races admis; Spaniels, Chiens d’Arrêt et Retrievers et chaque un à la possibilité de s’inscrire dans 3 classes différentes.     A. Classe Ouverte Ouverte àtous les chiens. De préférence pour les chiens confirmés qui ont obtenu une qualification en field-trial, un brevet de chasse ou un brevet Saint Hubert. Les chiens sont présentés sans laisse.   B. Classe Novices Ouverte àtous les chiens. Les chiens sont présentés sans laisse.   C. Classe Initiation Cette classe donne la possibilité au débutant de faire connaissance avec les différentes épreuves. Le but de cette classe est l’initiation.. Les chiens sont présentés sans laisse.   Article 3 – Inscriptions   Les bulletins d’inscription doivent être renvoyés au secrétariat du concours dans les délais indiqués dans le programme du concours. Le bulletin d’inscription doit fournir les informations suivantes : la classe, le nom du chien, la race, le sexe, le numéro du pedigree, le tatouage et/ou micro puce, la date de naissance, le nom et l’adresse du propriétaire et du conducteur. Chaque chien doit être a compagné de son carnet de travail pour chien de chasse. En cas de contradiction, le chien sera exclu du concours, le montant de l’inscription restant acquis à l’organisation. En cas d’absence  le montant d’inscription reste du à l’organisation.         Article 4 – Participation/exclusion des chiens   Les épreuves sont ouvertes à tous les races déjà stipuler. L’organisation peut limiter le nombre de participants à un ECP. Dans ce cas, la participation se fera par tirage au sort.     Ne peuvent participer ou sont exclus les chiens qui appartiennent à des personnes exclues ou qui doivent de l’argent à l’URCSH à une association affiliée à l’URCSH. Les chiens sans pedigree officiel peuvent participer aux épreuves mais ne seront pas classés.   Les chiennes en chaleur ne peuvent pas participer au concours.   La punition corporelle du chien sur le terrain ou pendant le concours conduit à l’exclusion immédiate du conducteur (voir aussi art. 8D).     La raison de l’exclusion d’un chien sera immédiatement communiquée au conducteur. Les organisateurs se réservent le droit d’exclure pour l’une ou l’autre raison tout chien dont ils ne peuvent accepter la participation.     Article 5 – Juges   Tous les juges doivent avoir l’expérience du travail des chiens de chasse  dans les conditions de la chasse pratique. Les juges sont choisis sur une liste composée par l’URCSH. Cette liste contient les noms des juges de field-trials Retrievers, Chiens d’arrêt et Spaniels. Juges pour les épreuves de Chiens de Chasse et Working Tests, les Maîtres de brevets pour les épreuves de chiens de chasse et Working Tests. Les juges étrangers sont admis pour autant qu’ils puissent juger dans leur pays et à condition que l’orginastion a  reçu l’autorisations du SRSH. Les juges ont le droit d’émettre leur jugement librement, mais tiendront compte du présent règlement. Les organisateurs se réservent le droit de remplacer un juge qui se trouve dans l’impossibilité d’effectuer sa tâche pendant le concours ou pendant une partie du concours.         Article 6 – Responsabilité   Ni les organisateurs ni les juges ne seront en aucun cas tenus pour responsables des accidents éventuels.                   Article 7 – Epreuves   Les épreuves sont basées sur le travail avant et après le coup de fusil pour les Spaniels et Chiens d’Arrêts. Pour les Retrievers àpres le coup de fusil. L’accent est mis sur les aspects suivants:   Les qualités naturelles de recherchele marking du point de chute du gibierle rapport rapide et efficacele style de sa racel’obéissancela conduite discrète du chienla qualité du travail à l’eaula relation entre le conducteur et le chien   Les épreuves se rapprocheront de préférence le plus possible de la chasse pratique, en tenant compte des possibilités du terrain. Les situations recréées seront naturelles et proches de la chasse pratique et sportive. Une épreuve pourra être composée de plusieurs exercices.   Les juges doivent s’assurer que les spectateurs soient à une distance raisonnable des chiens. Ils doivent donner aux chiens l’occasion de bien travailler en veillant à ce que les conditions soient, dans la mesure du possible, en leur faveur. Ils donneront plus de points aux chiens qui demandent le moins de conduite et dont le travail est adapté à la chasse pratique. Le marking ainsi que le rapport rapide sont essentiels chez toutes les races de chiens de chasse. Les juges ne pénaliseront pas trop le chien qui dépose le gibier pour le reprendre plus fermement, mais ceci ne doit pas être confondu avec un rapport négligeant. Les chiens qui font preuve de marking et d’initiative seront placés avant ceux devant ceux qui doivent être conduits sur le rapport.   Un chien de chasse doit être steady au coup de fusil et rapporter sur commande. Tous les chiens doivent être testés, dans la mesure du possible, en battue postée ou marchante et à l’eau. Le chien doit marcher calmement au pied.   Le degré de difficulté augmentera progressivement en fonction des classes comme en field-trials Amateur – Novice et CAC(I)T. Les épreuves en classe initiation seront moins exigeantes qu’en classe Novice ou Ouverte.   Les épreuves de la classe initiation tiendront compte du fait qu’il n’est pas demandé de savoir diriger son chien.     Les épreuves ne seront pas connues à l’avance et, comme à la chasse, le conducteur devra pouvoir évaluer et juger la situation. Les épreuves seront expliquées à tous les participants sur le terrain. Les juges tiendront compte de cette situation et accorderont par exemple moins d’importance au nombre d’ordres donnés. Ils regarderont de façon générale la qualité de l’exécution, la rapidité et l’efficacité du rapport.       Il est seulement autorisé d’utuliser du gibier autorisé au moment du concours. Suffisamment de pièces de gibier doivent être prévues. Lors du lancé du gibier, le coup de feu doit, par préférence, précéder le lancé, le fusil étant positionné à maximum ±- 35 m du lanceur.   Le coup de feu est facultatif dans le cas d’un rapport perdu. Les fusils sont préférables aux pistolets.   La distance du rapport ne devra pas excéder 150 mètres.       Les chiens ne peuvent porter de colliers à dents ni aucun autre moyen de coercition sur le terrain du concours. Le propriétaire ou le conducteur ne peut tenir en main ni laisse ni autre moyen de coercition durant une épreuve.       Article 8 – Jugement du travail   A – Les qualités les plus importantes qui doivent primer dans le jugement   Les qualités naturellesLe recherche et l’initiative dans le rapport hors-vue.Le calme au posteLe marking du point de chuteL’obéissanceLe rapport rapide et efficaceLa volonté de plaire au maîtreLa conduite discrète du chienLe travail à l’eauLe nez     B – Les fautes graves   Manquer de calme au poste ou lors de la suite au  piedConduire le chien bruyammentAvoir un mauvais contrôle sur le chienTravailler sans intérêtMauvais marking et/ou une mauvaise mémorisation du point de chute Être trop dépendant du conducteur     C – Les fautes qui conduisent à un zéro   PleurerQuitter le poste sans ordre (sauter)Sortir de la mainToucher le chien durant l’exerciceRefuser de rapporterRefuser d’aller à l’eau ou d’entrer dans un couvertChanger de gibierNe pas retrouver le gibier     D – Les fautes qui conduisent à l’exclusion   L’agressivitéAvoir peur du coup de fusilLa dent dureLa correction physique du chien   Les juges seront plus tolérants pour les fautes commises par les chiens participant en classe «Initiation».     Article 9 – Points et résultats   Un ECP comporte au minimum 5 exercices pour chaque chien. Chaque épreuve  est coté sur 10 ou 20 points. Un zéro sur un rapport conduit à un “non classé” (NC). Dans le cas où plus d’unrapport doit être rapporté lors d’une épreuve, un zéro sur unrapport ne signifie pas un zéro pour l’ensemble de l’épreuve. L’ordre dans lequel les rapports doivent être rapportés doit être respecté. Les chiens qui ont obtenus un zéro ou qui ont été exclus ne sont pas classés. Dans le cas d’une faute grave, aucun score concernant cette épreuve ne pourra dépasser 6/10 ou 12/20. Dans le cas de deux fautes graves, aucun score concernant cette épreuve ne pourra dépasser 2/10 ou 4/20     Les résultats n’entrent pas en ligne de compte pour le certificat qui permet l’accès à la classe travail en exposition.                 Article 10 – Critique des résultats   Toute personne qui critique ouvertement les décisions des juges devra quitter immédiatement le terrain. En cas de contestation, les juges devront se prononcer immédiatement sur le terrain. Leur décision est irrévocable, même dans les cas non prévus par le présent règlement.  
    Artikel 11 – Eindbesluit.   In geval van betwisting bij de interpretatie is de Nederlandse tekst doorslag gevend     Article 11 – Disposition Finale   En cas de litige dans l’interprétation, le règlement en Néerlandais fait foi.

[i]